Fietsendiefstal in oorlogstijd

Tuin met fietsenhok in de winterse tuin van het Diaconiehuis in de Ridderstraat in Haarlem, 1940.

Eind juni 1941 valt het oog van een oplettende hoofdagent van de Bloemendaalse politie op een jongen die fietsenbanden vervoert. Met het oog op recente fietsendiefstallen in de omgeving houdt hij hem staande en vraagt naar de herkomst van de banden. De jongen verklaart de banden te vervoeren voor een kostganger in het huis van zijn ouders. Deze kostganger, een 45-jarige Haarlemmer, blijkt na onderzoek door de politie diverse fietsen te hebben gestolen. In een verlaten padvinderslokaaltje heeft hij ze gesloopt om de onderdelen te kunnen verkopen.

Deze fietsendief is geen uitzondering. Tijdens de bezetting wordt het bestaande probleem van fietsendiefstallen snel groter. Al in de zomer van 1940 meldt De Telegraaf dat de nachtelijke verduistering het volgen van bekende fietsendieven voor de politie bemoeilijkt. Daar komt nog bij dat steeds meer mensen zonder strafblad ‘het pad der deugd hebben verlaten’, omdat de prijzen voor fietsen en fietsonderdelen de pan uitrijzen. In een poging het aantal fietsendiefstallen in te perken, denkt men na over landelijke maatregelen tegen heling van al die gestolen rijwielen. Wanneer in het voorjaar van 1941 de fietsbanden op de bon gaan, is het hek helemaal van de dam en worden fietsen een nog aantrekkelijkere buit.

Haarlems Dagblad, 19 september 1941.

Minderwaardig

Tijdens de politieverhoren verwijst de gesnapte Haarlemse fietsendief meermaals naar de tijdsomstandigheden als verklaring voor zijn misdaad. Hij verklaart het stelen van fietsen ‘minderwaardig’ te vinden, maar geen andere uitweg uit zijn problemen te hebben gezien. De man heeft overigens al een lang strafblad: vanaf zijn achttiende is hij maar liefst vijftien keer veroordeeld, meestal voor diefstal. Sinds 1938 is hij op vrije voeten en probeert hij ‘als eerlijk mensch te leven’. Dat lukt niet meer als hij in 1940 zijn werk in een lampenkappenbedrijf kwijtraakt. Van de sociale dienst van de gemeente Haarlem ontvangt hij 7 gulden steun per week, maar door de stijgende kosten van levensonderhoud kan hij daarvan niet rondkomen. Hij ziet geen andere weg dan de misdaad. Deze terugval doet hem ‘veel leed’, omdat hij zijn tachtigjarige moeder had beloofd op het rechte pad te blijven.

Spijt

Volgens de fietsendief was een gesprek met een fietsenhersteller en oude kennis de directe aanleiding voor zijn meest recente misdaad. Begin 1941 was het pedaal van zijn fiets kapot. Tijdens de reparatie raakt hij in gesprek met de fietsenhersteller. Die klaagt dat hij klanten moet wegsturen, omdat hij door schaarste niet meer aan banden en andere rijwielonderdelen kan komen. Daarbij laat hij doorschemeren dat hij wel interesse heeft in gestolen waren. De man ziet dit als een mooie oplossing voor zijn geldproblemen. Later dat jaar koopt de fietsenhersteller meermaals fietsen van zijn kennis, ondanks het vermoeden dat ze gestolen zijn. Ook brengt hij zijn neef in contact met de fietsendief, waarna die hem assisteert bij een diefstal. Tijdens zijn verhoor verklaart de fietsenhersteller: ‘Ik heb thans zeer veel spijt van het gebeurde en ik ben thans zeer blij dat dit misdrijf ontdekt is en ik door alles te bekennen mij van deze ontzettende last bevrijd heb.’

Pastorie R.K. Kerk Haarlemmerliede, 1915. Uit de fietsenstalling tussen de pastorie en de R.K. in Haarlemmerlied werden fietsen gestolen.

Zeer ernstig

In oktober 1941 moeten de fietsendief en fietsenhersteller voor de rechter verschijnen. Beide bekennen hun misdrijf. Tijdens de zitting noemt de officier van Justitie de fietsendiefstallen ‘zeer ernstig[,] te meer daar de verdachte reeds meermalen is veroordeeld’. Hij eist een celstraf van drie jaar tegen de fietsendief, maar de rechters leggen twee jaar op. De fietsenhersteller moet anderhalf jaar de cel in. Enkele weken later wordt de neef van de fietsenhersteller bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden wegens zijn betrokkenheid bij één van de diefstallen. Die straffen klinken fors, maar zijn in 1941 niet uitzonderlijk hoog voor fietsendiefstal en -heling.

Represaille

Hoe het de fietsendief verder is vergaan, weten we niet. Over de fietsenhersteller en zijn neef weten we wel meer. Zij hebben de oorlog niet overleefd. Op 15 februari 1945 worden ze, samen met achttien anderen, in Amersfoort bij wijze van represaille door de Duitsers gefusilleerd. Waarom ze slachtoffer werden van deze represailleactie is niet duidelijk. Mogelijk waren ze samen betrokken bij verzetswerk of zwarte handel. De fietsenhersteller is na de oorlog onder vermelding van de groep ‘verzet’ opgenomen op de Erelijst der gevallenen 1940-1945.

Monument aan de Bachman Wuytierslaan in Amersfoort, waarop de naam van de fietsenhersteller staat (foto: Roel Pauw).

Dit artikel is verschenen in: Uitgelicht nr. 17 / blz. 18 t/m  21 / tekst: Jan Julia Zurné / beeld: Noord-Hollands Archief

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.