Vrijheid kwijt voor 55 pakjes boter

  • Door Arno Heesakkers

Malle Kuiper pleegde in september 1941 een inbraak in de boterfabriek van Nuland. De buit: 55 pakjes roomboter. Marktwaarde: 71 gulden en 50 cent. Hij werd binnen een paar uur in de kraag gevat en dat was dan zijn achtste aanvaring met justitie. Zijn straf: anderhalf jaar cel. Voor boter leverde Kuiper zijn vrijheid in. Was het dat waard? Zoektocht naar achtergronden en motieven van een veelpleger.

wikkel van een pakje boter van de stoomzuivelfabriek Sint Joannes in Nuland

Serieus? Anderhalf jaar gevangenisstraf voor het jatten van 55 pakjes roomboter uit de Stoomzuivelfabriek Sint-Joannes in Nuland? Jawel, dat was het vonnis van de arrondissementsrechtbank in Den Bosch dat de 34-jarige Malle Kuiper uit Leeuwarden op 24 september 1941 kreeg uitgereikt. Hij zat toen al in voorarrest in het Huis van Bewaring. De buit van 27,5 kilo had een waarde van 71 gulden en 50 cent. Zeker, met dat geld kon je in die jaren veel meer doen dan tegenwoordig, maar was het ook het verlies van achttien maanden vrijheid waard? Zelfs onder het juk van de Duitse bezetter waren de vier muren van een eenzame kille cel altijd nog weer een stuk minder vrij dan het leven voor een oer-Friese jongeman kon zijn.

Had Malle Kuiper honger toen hij op dievenpad ging? Was het frustratie omdat de smid al drie weken zonder werk zat? Of was hij gewoon een doorgewinterde crimineel die alles jatte wat zijn vingers grijpen konden? Feit was dat hij in september 1941 besloot vanuit Friesland met de fiets het land in te trekken, met vage inbrekersplannen in zijn hoofd en op de bagagedrager een bruine vrijwel lege koffer. Onderweg in Apeldoorn vulde hij die met een koevoet, een breekijzer, een boormachine, drie kleine boortjes, een nijptang, een schroevendraaier, een vijl en een hamer. Feit is ook dat Kuiper al voor de boterzaak zeven keer voor diefstal was veroordeeld. In totaal brachten die zeven vonnissen hem zeven jaar, negen maanden en vijf dagen achter de tralies.

Malle Kuiper was als dief een veelpleger, eentje zonder een greintje talent ook nog. Zeven keer door justitie gepakt, zeven keer door de rechter bestraft. En dan toch maar weer op pad gaan om ‘hier of daar in te breken’. Zonder vooraf een deugdelijk plan te maken, zonder enig doel voor ogen waarheen zijn fiets hem brengen zou.

Enfin, in die nacht van dinsdag 16 op woensdag 17 september van dat tweede oorlogsjaar werd uiteindelijk de boterfabriek in Nuland zijn doelwit, perfecte plek nogal afgelegen langs de rijksweg. Hij besloot daar in de buurt eerst in het gras te gaan liggen en af te wachten tot de duisternis volkomen was en de drukte van de dag op pauze stond. Even na twaalven kon het karwei beginnen. In de verklaring die hij na zijn arrestatie aan de politie aflegde staat ietwat wrokkig beschreven dat Kuiper zijn slag sloeg ‘in den voor de nachtrust bestemden tyd’.

Hij drukte met zijn elleboog een ruit in aan de oostzijde van het pand, opende het raam en klom tussen de rafelige scherven door naar binnen.

,,In de fabriek heb ik wat rond gezocht en getracht een brandkast te forceren, hetgeen mij niet is gelukt”, aldus Kuiper. Vervolgens brak hij met zijn koevoet de deur naar de kelder open. Dat viel nog niet mee: ‘Ik heb hierop een half uur moeten werken’, zou de dief zich later beklagen.

In de kelder zag hij de pakjes boter op een lage tafel liggen – ‘ik meen 53 of 55’ – stopte die in zijn koffer en verliet de fabriek. Hij had nog een  sigarenkistje klaargezet om mee te nemen ‘maar dat ben ik vergeten’. Voor het stelen van de boter had hij ‘recht noch vergunning’, besefte Kuiper zelf ook toen hij voor het gerecht stond. Maar ja: ,,Ik was werkloos gedurende een week of drie en aangezien de verhouding met myn thuis niet al te rooskleurig was ben ik er op uit getrokken.” En zo lichtte Kuiper een tipje van de sluier op over zijn gemoedstoestand; hij deed het uit frustratie en onmacht. En hij had de boter willen verkopen om zodoende in zijn levensonderhoud te voorzien, dat zei hij ook.

Zover kwam het niet, in de vroege ochtend omstreeks vijf uur – luttele uren na de inbraak – werd Kuiper in Grave op zijn fiets staande gehouden door twee marechaussees van de brigades van Boxtel en Den Bosch. Hendrik Steenis en Johannes van Dongen. Zij zagen Kuiper rijden zonder ‘eenige verlichting’. Ze werden echter afgeleid door de koffer op de bagagedrager. Wat daar eigenlijk in zat? ‘Oh, wat kleding’, probeerde Kuiper zich eruit te redden. Maar al snel gaf hij toe wat de koffer werkelijk bevatte; nog 43 van de 55 pakjes boter. Ja, die had hij inderdaad gestolen. Hij bekende dat hij een dag eerder in Den Bosch was geweest om te kijken of daar iets te halen viel. Dat was blijkbaar niet het geval, waarop Kuiper naar de boterfabriek was gefietst. Na de inbraak ging hij met zijn buit richting Grave. Onderweg gooide hij ‘uit angst voor ontdekking’ zijn inbrekersgereedschap in een sloot. Omdat het gewicht van zijn koffer te zwaar was haalde hij er meteen ook 12 pakjes boter uit en verborg die langs de weg onder de struiken. ,,Vlakbij een boom die ik met wit krijt heb getekend, zodat ik deze weer terug kon vinden.” Hendrik Steenis toog daarop met Kuipers naar de aangewezen plek en vond daar inderdaad het gereedschap en het restant van de boter. De marechaussee nam het allemaal in beslag en hield Kuiper aan. De inbreker werd overgedragen aan Nulands burgemeester en hulpofficier van justitie Theodorus Teunissen en uiteindelijk in voorarrest vastgehouden in het Bossche Huis van Bewaring.

De Officier van Justitie riep directeur Gerardus Dirks van de Stoomzuivelfabriek op om een verklaring af te leggen. Die bevestigde dat hij precies 55 pakjes roomboter miste. En verklaarde geërgerd aan niemand toestemming te hebben gegeven de fabriek binnen te dringen, noch de boter weg te nemen ‘en hierover als heer en meester te beschikken’. De directeur beweerde verder dat hij na een werkdag altijd alle deuren en ramen zorgvuldig sloot. ,,Alleen de deur die toegang geeft tot het kantoor wordt nimmer door mij met slot en sleutel gesloten. Ik doe zulks niet om reden dat deze dan toch zou worden opengebroken indien ongewenschte personen in de fabriek binnendringen. Hetgeen in de loop der jaren al meerdere malen is gebeurd.”

Tja, door schade en schande wordt men wijs.

Gold dat ook voor Malle Kuiper?

Die deed in elk geval afstand van zijn recht om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis, hij besefte dat hij zijn straf niet kon ontlopen en legde zich neer bij de hem opgelegde anderhalf jaar cel. Waarmee de zaak voor justitie was afgedaan en Kuiper alleen nog zijn straf uit kon zitten. Vanuit zijn cel verklaarde hij schriftelijk dat hij graag wilde werken en dat hij als hij vrij kwam weer een baan zou zoeken. Hij verwees naar enkele getuigschriften van vroegere bazen, onder anderen die van de scheepswerf in Harlingen. Hij zou daar vier maanden hebben gewerkt en helaas ‘wegens slapte’ zijn ontslagen. Maar daar waren ze ‘ook goed over me tevreden’. Kuiper liet verder weten dat hij graag tewerkgesteld had willen worden in Duitsland. ,,Maar daar ben ik voor afgekeurd.” Blijkbaar vanwege zijn gezondheid: ,,Ook hier ben ik onder behandeling der gevangenisdokter voor mijn maag.”

Als we de handel en wandel van Malle Kuiper natrekken, blijkt dat hij pas zestien was toen hij voor de eerste keer werd veroordeeld. Voor een diefstal ‘met een valschen sleutel’. Ter beschikkingstelling van de regering, zo vonniste op 31 juli 1923 de kinderrechter van de arrondissementsrechtbank in Leeuwarden. Op 22 januari 1930 werd Kuiper – 22 dan en smid inmiddels – opnieuw gedaagd voor diezelfde rechtbank. Voor diefstal met braak en inklimming kreeg hij dit keer zijn eerste gevangenisstraf, 12 maanden. En zo ging het maar door. Malle Kuiper verviel steeds weer in zijn oude, slechte gewoonten. Was hij het zwarte schaap in zijn familie? Daar lijkt het op want van zijn broers en zussen komt bij globale naspeuringen niks boven water wat zou duiden op ongewenste contacten met justitie.

Malle kwam op 7 april 1907 in Harlingen ter wereld samen met zijn tweelingzus Jantje. Hun vader Obbe Kuiper en moeder Zwaantje Eijer waren getrouwd op 5 juni 1902, krap negen maanden later werd hun eerste kind geboren. Zoon Wiebe moet jong zijn overleden want twee jaar later werd een nieuwe Wiebe geboren. In die tijd was het heel gebruikelijk om de naam van een dood kind te hergebruiken voor de eerstvolgende boreling van hetzelfde geslacht. Nog weer twee jaar later kwam de tweeling en na vier jaar volgde zus Riemke.

In die beginjaren van de vorige eeuw was er nog weinig aandacht voor het verdriet van ouders die een kind verloren. Dat soort dingen gebeurde, kindersterfte was zelfs hoger dan nu en de algemene opvatting was: niet meer over praten, niet meer aan denken, gewoon dóórleven. Het is voorstelbaar dat het ook toen zo toch niet werkte in een moederhart, in het hoofd van een vader. Kreeg Malle te weinig aandacht, te weinig sturing? Kon hij zelf niks met die grauwsluier, die schaduw van dat dode oudste broertje? We zullen het nooit weten, het zijn vragen die pas later, veel later serieus werden genomen. Pas toen het besef kwam dat het overlijden van een kind een gat slaat in gezinnen en wat dat doet met ouders, en met broers en zussen.

Maar in de tijd van Malle Kuiper was het aannemelijker dat er hoofdschuddend werd gekeken naar jongens, naar jonge mannen zoals hij. Wát nou een schreeuw om aandacht, frustratie, onmacht? Gewoon een schandvlek voor de familie, niks oorzaak en gevolg, simpelweg de loop van een verkwist leven, niks aan te doen.

Bron: 810 Rechtbank ’s-Hertogenbosch Inv. nr. 12 doc 860: boterdiefstal door veelpleger

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.