Een schrijnende luierdiefstal

Armoede in de oorlog: water halen bij de melkfabriek in ‘s-Hertogenbosch, 1943
Fotopersbureau Het Zuiden, collectie BHIC, nr. 1219-012081

In maart 1944 wordt een 33-jarige machinist opgepakt door de Bossche politie op verdenking van diefstal. Het lijkt het te gaan om een typisch ‘oorlogsgeval’: omdat de prijzen voor luiers zó hoog zijn kan deze J.V. geen nieuwe spullen betalen voor de baby die elk moment geboren kan worden. Daarom heeft hij ingebroken in een pakhuis op zoek naar ‘kindergoed’. Deze zaak laat zien dat tijdens de oorlog de verleiding van criminaliteit groot is voor mensen in nood. De reclassering en rechterlijke macht waren zich hiervan bewust en hielden er enige rekening mee, maar moesten tegelijkertijd de grenzen van het toelaatbare streng bewaken.

In zijn verhoor leidt V. ons een paar stappen terug in de tijd. De verdachte verklaart dat hij eind 1943 terug naar huis is gekeerd na tewerkstelling in Duitsland. Zijn vrouw is dan zwanger en moet binnenkort bevallen. Van het geld dat hij in Duitsland heeft verdiend hoopt de aanstaande vader het nodige ‘kindergoed’ te kopen, waaronder luiers. Die zijn op dat moment op de bon en zeer moeilijk verkrijgbaar. Tot zijn grote schrik blijkt dat de 150 gulden die hij heeft gespaard, bij lange na niet volstaan.

Dagblad van Noordbrabant, 1 februari 1944: ook anderen begaven zich in 1944 op het criminele pad om aan luiers te raken, waaronder deze arbeider uit Breda.

De aanstaande vader vertelt aan een kennis over zijn probleem. Hij hoopt dat de man, die aan zwarte handel schijnt te doen, ergens iets op de kop kan tikken. De kennis suggereert een andere oplossing: hij kent een pakhuis aan de Breede Haven waar ongetwijfeld luiers te vinden zijn. Na aanvankelijke terughoudendheid komt V. ‘gezien de nood waarin hij verkeerde in de verleiding’ en stemt hij in. Samen breken ze in bij het pakhuis. Enkele weken later is er ook aan ‘potten en pannen’ gebrek in huis. De kennis weet nog wel een ander pakhuis waar ‘nog genoeg’ te vinden is. Opnieuw breken ze samen in, nu ook vergezeld van de broer van V. Ze nemen allerlei waardevolle spullen mee, waaronder ‘fleschjes voor zuigelingen’, servies, vlastouw en een petroleumstel.

Gezicht op de Brede Haven in ‘s-Hertogenbosch, 1944
Fotopersbureau Het Zuiden, collectie Erfgoed ‘s-Hertogenbosch, nr. 0002582

Niet veel later ontvangt de politie een anonieme tip. De eigenaar van een van de pakhuizen had al aangifte gedaan van diefstal en nu zijn er dus verdachten in beeld. Bij een huiszoeking bij V. thuis vindt de politie een aantal gestolen artikelen terug, waaronder kleding, servetten en handdoeken. De verdachte is in het nauw gedreven en bekent. De eerste mededader vermeldt hij direct bij naam, maar zijn broer probeert hij aanvankelijk nog buiten beeld te houden. De mededader toont zich, wellicht door gebrek aan familiebanden, minder loyaal en vermeldt ook de broer van V., die echter onvindbaar blijkt. V. verklaart dat hij alle gestolen goederen ‘te eigen bate’ heeft gebruikt.

Nieuwe Brabantsche Courant 26 mei 1944, over de diefstal.

In mei moeten de twee verdachten voor de Bossche arrondissementsrechtbank verschijnen. De rechters zijn echter niet tevreden met het onderzoek. Ze schorsen de zaak en vragen om aanvullend onderzoek, onder andere naar de ‘geestvermogens’ van V.’s mededader.

Het onderzoek sleept zicht voort. Hoewel de zaak eigenlijk in september opnieuw moet voorkomen, duurt het uiteindelijk tot december 1944 voordat de rechters hun definitieve uitspraak doen. Ondertussen is Den Bosch bevrijd. De bevrijding van het Zuiden heeft de zaak ernstig vertraagd, want tussen 7 september en 29 november 1944 zijn er door de bevrijdingsgevechten geen zittingen van de Bossche arrondissementsrechtbank.

Een reclasseringsambtenaar heeft ondertussen een goed woordje gedaan voor de verdachte vader en heeft er vertrouwen in dat hij voortaan op het rechte pad zal blijven. In zijn advies aan de rechter schrijft hij:

“Stelen zit zeker niet in den aard van dezen wel wat ruw uitzienden doch in den grond goedhartigen en werklustigen man. Wij geloven dat na deze ervaring hij niet meer tot diefstal zal zijn over te halen en zou deze in normale omstandigheden, wanneer noodzakelijke behoeften gekocht konden worden, niet bedreven hebben.”

De rechters noemen de (luier)nood niet in hun vonnis, maar nemen ten voordele van beide verdachten wel in overweging dat ze nog niet eerder voor een misdrijf zijn veroordeeld. Ook het onderzoek naar de ‘geestvermogens’ van de vermeende zwarthandelaar heeft gevolgen voor het vonnis, want daaruit is gebleken dat hij ‘achterlijk’ is. Uiteindelijk legt de rechtbank beide mannen een gevangenisstraf van één jaar op, waarvan vier maanden voorwaardelijk en met aftrek van de voorlopige hechtenis.

De op het eerste gezicht schrijnende luierdiefstal uit nood blijkt dus toch iets complexer. Schaarste en armoede brachten de jonge vader in de verleiding de diefstal te plegen. Toen hij eenmaal in het pakhuis had ingebroken, beperkte hij zich niet tot het strikt noodzakelijke en ging hij zelfs nog een tweede keer op het dievenpad. Interessant is dat de reclasseringsambtenaar de oorlogsomstandigheden noemt als belangrijkste motivatie voor de diefstallen. Oftewel: in ‘normale tijden’ zou V. op het rechte pad zijn gebleven. De rechters lijken hier enige rekening mee te hebben gehouden, want het gegeven dat de diefstallen met meerdere personen waren gepleegd en het feit dat de mannen hadden ingebroken in de pakhuizen hadden tot een hogere straf kunnen leiden. Rechters namen de oorlogsomstandigheden dus wel in overweging, maar accepteerden ze niet als excuus voor criminaliteit.

Bronnen

  • BHIC, 810, inv. nr. 51, rolnummer 1006.
  • BHIC, 810 inv. nr. 137, rolnummer 1006.
  • Nieuwe Brabantsche Courant, 21 april 1944.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.